
Ard Nieuwenhuizen doet veldonderzoek in Wageningen (Foto: WUR)
Elke boer denkt straks in precisielandbouw
5 mei 2026
Elke twee maanden stellen we een specialist voor. We geven een inkijkje in de persoon achter het onderzoek en het werk dat hij doet. Deze keer: WUR-onderzoeker Vision+Robotics Ard Nieuwenhuizen. Over een revolutionaire spotsprayer, het belang van tijdigheid en waarom technologie en agro-ecologie elkaar perfect aanvullen: “Multipurpose voertuigen hebben de toekomst.”
Wanneer het in de tweede week van juni een paar dagen achter elkaar droog weer is en de zon voorlopig blijft schijnen, krijgt WUR-onderzoeker Ard Nieuwenhuizen hooikoorts. Dan denkt hij aan maar één ding: hooibouwen. Hij zet een streep door zijn agenda-afspraken en reist af naar Zevenhoven, waar het grasland rond de boerderij van zijn familie wacht.
Hooibouwen is geen nostalgisch Anton Pieck-tafereel. Het is vertrouwen op de zon, de lucht in de gaten houden en toeslaan op het juiste moment. Voor het maaien en drogen van gras tot hooi, en het persen van hooibalen, heb je drie tot vijf zonnige dagen achter elkaar nodig. Wacht je in juni te lang, dan gaat het gras liggen, zegt Nieuwenhuizen. Het gevolg: “De groei gaat eruit en het gras wordt onderin, dicht bij de grond, muffig. Dat verpest de smaak van het hooi voor de koeien, die zo een gezonde voedselvoorraad voor de winter mislopen.”
Dus gaat hij. Met vijf tot zeven anderen het land op. Duizenden hooibalen maken, elk van 15 tot 20 kilo. Op de achtergrond het geratel van de schudder, de geur van droog gras en de trekkerradio die over het land schalt. Het is geen werk. Het is een evenement. Het is saamhorigheid.
Hoogmade
Nieuwenhuizen groeit op in Hoogmade. Een Hollands dorp in het polderland, met rechte sloten, brede plassen en grote boerengezinnen. ’s Winters stap je er van elk weiland zo het ijs op. Uren schaatsen, eindeloos.
Zijn opa en oma hebben een boerenbedrijf. De oudste broer van zijn vader neemt het over. Zijn vader kiest voor een bestaan als ambtenaar in Den Haag. Zelf heeft Nieuwenhuizen meer boerenbloed. Als jongetje knutselt hij graag op zijn kamer. Hij sloopt radio’s en andere elektrische apparaten om ze daarna weer in elkaar te schroeven. Maar nog liever gaat hij naar de boerderij van zijn oom Jos, een broer van zijn moeder die zelf een boerderij is begonnen. In Zevenhoven, achttien kilometer verderop.
Zodra het kan, stapt hij op de fiets. Betonstorten, koeien verzorgen, hooibouwen, trekker rijden. “Echt mooi”, vertelt hij met glimmende ogen. “Ik heb die boerderij helpen opbouwen.”
Groen en techniek trekken allebei even hard aan Nieuwenhuizen. Dat hij in 1998 kiest voor een studie Landbouwtechniek in Wageningen, is dan ook voor niemand echt een verrassing.
Aardappelopslag
Na zijn studie start hij in 2004 met promotieonderzoek, als een van de eerste PhD-studenten van Eldert van Henten, die dan net hoogleraar is geworden. Onder diens leiding krijgen robotica en high-tech stevig voet aan de grond binnen de landbouwtechniek. Nieuwenhuizen onderzoekt hoe camera’s onkruid kunnen herkennen tussen suikerbieten, met speciale aandacht voor aardappelopslag: “Knolletjes en aardappelresten die na de aardappeloogst in de grond zijn achtergebleven. Mogelijke ziekteverspreiders. Je kunt ze wel afschoffelen, maar dan groeien ze gewoon terug.”
Wereldwijde innovatie
Onkruid detecteren met een camera. Vandaag klinkt het als business as usual, maar in 2005 is het pionierswerk. Mobiele telefoons zijn dan nog geen camera en rekenmachines in zakformaat. AI reikt niet veel verder dan een autonome robotstofzuiger voor consumenten. “Drie jaar lang doe ik metingen in het veld. Eerst lopend achter een voertuigje met camera’s, later kilometerslang achter een trekker. Beeldmateriaal verzamelen, precisiespuitproeven uitvoeren.” Het resultaat: een apparaat dat op wandelsnelheid onkruidplanten herkent en die met centimeterprecisie bespuit. “Dat was wereldwijd innovatief.”
Techniek als stroomversneller
Daarmee legt Nieuwenhuizen in 2010 min of meer de basis voor de spotsprayer. “Het prototype werkt, maar de markt is nog niet klaar om het verder te ontwikkelen”. Te vroeg, te duur, misschien ook te spannend. Maar ruim tien jaar later verschijnen alsnog de eerste commerciële spotsprayers op de markt, geholpen door voortschrijdende techniek. “Wat toen niet kon, kan nu wel.”
De komst van AI en de doorontwikkeling van mobieltjes. Beeldherkenning is betrouwbaarder geworden, de spuittechniek verfijnder. “De real-time cameratechniek en algoritmes die daarvoor nodig zijn, hebben de komst van de spotsprayer in een stroomversnelling gebracht.”
Daarnaast wijst hij op de groeiende maatschappelijke en politieke druk op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, en op het tekort aan arbeid om onkruid handmatig te bestrijden. “Daardoor groeit de wens iets te ontwikkelen”, zegt Nieuwenhuizen. Dat ‘iets’ ligt op een plank in Wageningen. “Voor wat wij vijftien jaar eerder hebben ontwikkeld, is ineens wél plaats.”
Het belang van tijdigheid
Na zijn doorbraak ligt de wereld voor Nieuwenhuizen open. Maar hij blijft in Wageningen. Als onderzoeker in de precisielandbouw. Daar werkt hij verder aan gerichte gewasbescherming: doseringen verlagen, sensoren inzetten en alleen spuiten waar een ziekte of plaag zich voordoet. Niet per perceel, maar per plant, per rij, per plek. Dankzij de opkomst van sensoren gebeurt dat bovendien steeds meer datagedreven.
Een tweede ontwikkeling is tijdigheid: “iets precies op het juiste moment doen.” En dat is lastig. Het weer wordt grilliger. Soms is het dagenlang te nat zijn om het land op te gaan, gevolgd door een paar dagen waarin alles tegelijk moet gebeuren. “Maar dan moet je wel voldoende mensen hebben, en die zijn niet altijd beschikbaar.”

Meer nodig dan techniek alleen
Dat heeft alles te maken met de schaalvergroting in de landbouw. Boerenbedrijven krijgen meer hectares, maar het aantal droge dagen groeit niet mee. De druk neemt dus toe, terwijl er juist minder handen zijn om snel te schakelen. Dan kan technologie helpen: praktische, gebruiksvriendelijke robots en machines die op het juiste moment doen wat nodig is, zodra de natuur dat toelaat.
Hij kent de kritiek uit het veld goed. In fabrieken worden mooie machines ontwikkeld, maar op het erf blijken die vaak nog onvoldoende bruikbaar. Daar probeert hij iets aan te doen door in zijn onderzoek niet de techniek, maar de bruikbaarheid centraal te stellen. Dat betekent: om tafel met boeren en andere gebruikers. Hoe kunnen zij een veldrobot inzetten? Welke kennis hebben ze nodig om die zo efficiënt mogelijk te gebruiken? Wat vraagt zo’n machine aan onderhoud, en wat levert die op? En minstens zo belangrijk: “Hoe multifunctioneel is de robot? Je wilt het liefst dat het camerasysteem onkruid herkent tussen wortelen, maar ook tussen uien of aardappelen.”
Multipurpose
Multipurpose voertuigen hebben volgens Nieuwenhuizen de toekomst. Een machine die alleen kan oogsten of onkruid wieden blijft, hoe geavanceerd ook, een goochelaar met maar één truc. Voor de praktijk is een robot die verschillende werktuigen kan dragen veel interessanter: een machine die kan zaaien, wieden, schoffelen en meten. “Dat vraagt dat de intelligentie niet alleen in het voertuig zit, maar ook in de werktuigen.”
Dat varieert van kleine robots ter grootte van een kruiwagen tot trekkers van 250 pk, uitgerust met een kit die zonder chauffeur over het veld kan rijden. “Zelf over de weg mag dat nog niet. Maar daar gaan we wel naartoe.”
Sensoren voor chauffeurs
Fabrikanten verkopen nog vooral werktuigen voor achter tractoren. Die kunnen vaak nog zonder de uitgebreide sensoriek die nodig is voor autonoom werk. Tegelijk wordt die technologie is ook steeds belangrijker voor chauffeurs zelf. ‘Door het tekort aan ervaren arbeidskrachten zie je vaker chauffeurs met minder kennis van machines, gewassen en bodem’, zegt Nieuwenhuizen. “Ook daarom worden sensoren en feedbacksystemen belangrijker. Niet alleen voor robots zonder chauffeur, maar ook om chauffeurs te ondersteunen. Om hen te voorzien van informatie die ze zelf over het hoofd zien.”
Luisteren, kijken, voelen
Robots zijn nog vooral ontworpen voor gebruik achter een trekker met chauffeur, ziet Nieuwenhuizen. Die drukt op knoppen, houdt in de gaten of alles goed loopt, merkt aan trillingen of ergens speling in zit en hoort wanneer een machine begint te haperen. Hij kijkt, luistert en voelt.
Een robot kan al die menselijke waarnemingen in principe overnemen, zegt hij. Maar dat vergt nog veel onderzoek. Met camera’s voor en achter op de machine. Met sensoren die registreren wat een mens normaal met zijn handen en de rest van zijn lichaam waarneemt. Met systemen die voortdurend controleren of een machine goed functioneert. “Als je gaat schoffelen: vijftig worteltjes met onkruid aan de voorkant. En dan wil je aan de achterkant vijftig worteltjes zonder onkruid. Geen veertig, want dan heb je schade.”
3D-simulaties
Hij ontwikkelt met zijn team algoritmes om alle verzamelde onderzoeksdata te analyseren. Testen herhalen kost in dit vak vaak veel tijd, vertelt Nieuwenhuizen. Een gewas kun je immers maar één keer per jaar in dezelfde groeifase testen. Gaat er iets mis, of juist goed, dan kun je pas een jaar later opnieuw het veld in om dezelfde proef te herhalen. En het jaar daarna nog eens.
Omdat ze niet steeds een heel jaar willen wachten, voeren ze die testen ook uit in 3D-simulaties. Een soort game-omgeving waarin je op verschillende plekken camera’s kunt plaatsen om een gewas te bekijken. Van boven, van opzij. Kan ik plantjes tellen? Zie ik schade? Dat scheelt tijd, maar uiteindelijk beslist het veld. De echte modder blijft de baas.
Liever echte planten dan pixels
Zodra het voorjaar losbarst en de gewassen beginnen te groeien en bloeien, gaan ze met z’n allen naar buiten. Met de robot op pad, of met een landbouwwerktuig achter een autonome trekker. Camera’s voor en achterop om te filmen en te fotograferen. En soms stellen ze de schoffelmachine bewust verkeerd af, om te zien wat er gebeurt. Nieuwenhuizen: “Je kunt achter je computer blijven zitten, maar daar groeit niks.”
Ook zijn collega’s worden daar blij van: buiten veldmetingen doen, de wind in je gezicht, de geur van de grond. Tussen echte planten, in plaats van pixels op een scherm.

Agro-ecologie
Technologie draait niet alleen om efficiëntie of het oplossen van arbeidstekorten, maar ook over agro-ecologie. Om het herstel en behoud van bodem, natuur en biodiversiteit. “Wanneer je als boer je bedrijfsvoering wilt verduurzamen, kost dat in eerste instantie extra arbeid”, vertelt Nieuwenhuizen. Je werkt fijnmaziger en selectiever, gaat vaker het veld in om te controleren wat waar gebeurt en wiedt vaker mechanisch. Dat vraagt meer tijd en aandacht per hectare.
Maar ook hier kan technologie helpen. “Een robot werkt niet alleen sneller en efficiënter, maar ook specifieker dan een gewone machine. Waar een traditionele schoffelmachine achter een trekker alles weghaalt, kun je een robot vragen om onkruid te laten staan dat een akkervogel graag opeet.” Geen gadgetpraat, maar een andere manier van werken: nauwkeuriger, met minder schade en met meer oog voor wat er op een perceel allemaal gebeurt. “Zo werk je aan een toekomstbestendige landbouw die efficiënter, preciezer en minder afhankelijk van handmatige arbeid is, en die tegelijk de biodiversiteit bevordert.”
Elke boer een precisieboer
Hij weet het zeker: straks werkt en denkt elke boer in precisielandbouw. Daarbij maakt Nieuwenhuizen geen onderscheid tussen biologisch en gangbaar. “Precisielandbouw is op de juiste plaats en op het juiste moment precies en doelgericht het goede doen.” Of iemand biologische boert of niet: elke boer weet hoe groot zijn percelen zijn en hoeveel mest waar nodig is. Hij meet, rekent en doseert. “Elke boer wordt een precisieboer. Niet omdat het moet, maar omdat het logisch is.”
De maatschappelijke druk neemt toe en de speelruimte wordt kleiner. Juist daarom moet je technologie niet zien als luxe of speeltje, maar als gereedschap om landbouw werkbaar, productief en schoner te maken.
Vieren
Nee, als jongetje had hij geen idee dat hij later landbouwrobots zou ontwikkelen. Hij werkte op het land omdat hij dat leuk vond, en dat is nog steeds zo. “Ik wil iets betekenen voor de wereld, voor de maatschappij. Ik wil dat gebruikers blij worden van wat we hier met z’n allen ontwikkelen.”
Dat gevoel wordt alleen maar sterker naarmate hij langer bij WUR werkt. Door zijn collega’s, maar ook door resultaten. Het zit in concrete momenten: een werktuig dat in een veldtest doet wat het moet doen. Een project dat wordt afgerond. Een machine die niet op een plank eindigt, maar op een perceel. “Zulke momenten moet je vieren.”
